Op een wereldkampioenschap draait alles om de sterren. De geniale pass, de schitterende goal en de onverwachte held. Maar dit WK bewijst opnieuw dat ook de scheidsrechters een hoofdrol kunnen opeisen – en dat is zelden een goed teken.
Natuurlijk, fluiten op dit niveau is een bijna onmogelijke taak. De snelheid van het spel ligt krankzinnig hoog en iedere beslissing wordt binnen enkele seconden wereldwijd ontleed. Toch mag van de beste arbiters ter wereld worden verwacht dat ze boven de wedstrijd staan. Dat lukt lang niet altijd.
Het grootste probleem is de willekeur. Een stevige tackle wordt in de ene wedstrijd afgedaan met een waarschuwing, terwijl een vergelijkbare overtreding een dag later direct geel of zelfs rood oplevert. Spelers, coaches en supporters weten daardoor nauwelijks nog waar de grens ligt. Juist op een WK, waar de beste teams elkaar treffen, zou consistentie de norm moeten zijn.
En dan is er de VAR. Ooit ingevoerd om duidelijke fouten te corrigeren, maar inmiddels lijkt het systeem soms op zoek naar perfectie in plaats van rechtvaardigheid. Minutenlang wachten op lijntjes bij buitenspel of eindeloze herhalingen van een mogelijk handsmoment halen het tempo uit de wedstrijd en halen de emotie uit het stadion. Een doelpunt wordt niet meer direct gevierd; eerst kijkt iedereen naar de scheidsrechter met zijn hand op het oortje.
Dat betekent niet dat alles slecht gaat. Er zijn genoeg wedstrijden waarin de arbitrage uitstekend presteert en nauwelijks opvalt. Sterker nog: dat is precies hoe het hoort. De beste scheidsrechter is degene wiens naam na afloop niet wordt genoemd, omdat hij met gevoel voor het spel leiding gaf zonder zichzelf belangrijker te maken dan de wedstrijd.
Toch ontstaat te vaak de indruk dat regels belangrijker zijn geworden dan voetbal. Iedere aanraking wordt geanalyseerd, iedere twijfel eindeloos besproken en iedere beslissing voorzien van een technisch rapport. Terwijl supporters juist komen voor passie, snelheid en spontaniteit.
Misschien is dat wel de grootste les van dit WK. Niet dat de scheidsrechters slecht zijn, maar dat het moderne voetbal hen in een bijna onmogelijke positie heeft gebracht. Ze moeten de regels volgen, de VAR vertrouwen en tegelijkertijd de wedstrijd laten leven. Dat is balanceren op een koord.
De conclusie is daarom scherp maar eerlijk: de arbitrage verdient een voldoende, geen onderscheiding. De kwaliteit is over het algemeen degelijk, maar de overtuiging ontbreekt te vaak. Op het grootste voetbalpodium ter wereld zouden we na negentig minuten moeten napraten over de acties van de spelers, niet over de beslissingen van de man met de fluit. Zolang dat niet het geval is, heeft de arbitrage nog een wereld te winnen.