De weerstand loopt op. Niet een beetje, maar zichtbaar en voelbaar op ieder veld. Bij spelers, bij de staf, op de tribune – en misschien nog wel het meest bij de scheidsrechter.
We zitten in die fase van het seizoen waarin alles zwaarder weegt. Clubs vechten tegen degradatie, anderen ruiken een kampioenschap of hopen nog een ticket voor de nacompetitie te bemachtigen. De belangen worden groter, de marges kleiner. En ja, dan gebeuren er dingen die we eigenlijk allemaal al zagen aankomen.
Want laten we eerlijk zijn: sportiviteit staat onder druk. Spelers gaan net een stapje verder. Een tik die nét te laat komt. Een duel dat niets meer met de bal te maken heeft. Een opmerking richting tegenstander of arbiter die over de grens gaat. Het zijn geen incidenten meer, het wordt een patroon.
Ook langs de lijn verandert er iets. Stafleden die zich nadrukkelijker laten horen, publiek dat overal iets van vindt. De lontjes worden korter, het geduld raakt op. Iedereen voelt dat er iets op het spel staat – en gedraagt zich daar ook naar.
En dan is daar de scheidsrechter. De man die het moet oplossen. Die de rust moet bewaren in een wedstrijd die allang geen rustige wedstrijd meer wíl zijn. Hij grijpt naar zijn kaarten. Eerst geel. Nog een keer geel. En als het echt uit de hand loopt: rood. Maar laten we niet doen alsof dat uit het niets komt.
Het is makkelijk om na afloop naar de scheidsrechter te wijzen. Te roepen dat hij “de wedstrijd kapot fluit” of “te snel naar de kaart grijpt”. Maar wat verwacht je als spelers blijven doorgaan, als de irritaties oplopen en niemand meer een stap terug wil doen?Dit kaartenfestijn is geen oorzaak. Het is een gevolg.
Een gevolg van druk. Van belangen. Van het simpele feit dat winnen of verliezen in deze fase van het seizoen ineens allesbepalend lijkt. En ja, zoals het gezegde luidt: een kat in het nauw maakt rare sprongen. Op het veld is dat niet anders.
Misschien is het tijd dat we daar eens eerlijk naar kijken. Want zolang iedereen naar de scheidsrechter blijft wijzen, verandert er niets.
Terwijl de oplossing misschien wel gewoon begint bij gedrag. Op het veld, langs de lijn – en op de tribune.