Afgelopen zaterdag stond er weer eens een wedstrijd op natuurgras op het programma. Heerlijk, dacht ik. Tot ik het veld zag.
Want natuurgras is prachtig. Mits het onderhouden wordt. Dit veld had duidelijk een andere visie op sport. Hier leek de gemeente vooral te hebben gedacht: gras groeit toch vanzelf?
Tijdens de warming-up was het meteen duidelijk. Het gras stond zo lang dat ik even twijfelde of ik mijn scheidsrechters fluitje of een bosmaaier tevoorschijn moest halen.
En de ondergrond? Die was zo hard dat ik me afvroeg of ik een voetbalwedstrijd ging leiden of aan een demonstratie betonstorten begon.
Voor een scheidsrechter is zo’n veld best een uitdaging. Je wilt goed staan, de wedstrijd volgen en op tijd bij de actie zijn. Maar als je benen ondertussen door een combinatie van hoog gras, harde grond en kuilen moeten ploegen, wordt iedere sprint een kleine expeditie.
Ik heb die middag meer terrein moeten overwinnen dan sommige spelers. Ook voor de spelers was het veld bepaald geen cadeau. De bal rolde ongeveer zoals een winkelwagentje met één kapot wiel. Een pass die normaal gesproken twintig meter gaat, besloot hier halverwege een compleet eigen plan te trekken.
En dan de slidings.
Normaal gesproken is een sliding een technisch hoogstandje. Op dit veld was het vooral een kwestie van hopen dat je aan het einde nog wist waar je gebleven was.
Bij iedere sliding kwam er bovendien een flinke hoeveelheid gras mee omhoog. Op een gegeven moment vroeg ik me serieus af of we nog aan het voetballen waren of alvast begonnen waren met de aanleg van een moestuin.
Gelukkig verliep de wedstrijd voor mijzelf uitstekend. Mijn begeleider was zelfs bijzonder enthousiast over mijn looplijnen.
Kijk, daar word je als scheidsrechter blij van.
Blijkbaar liep ik zó goed dat zelfs dit veld mij niet kon tegenhouden. Al moet ik eerlijk zeggen dat het veld mij op sommige momenten wel behoorlijk probeerde tegen te houden. En daar zit voor mij ook het probleem.
Want een slecht veld is niet alleen vervelend. Het beïnvloedt het spel. De bal doet onverwachte dingen, spelers moeten extra corrigeren en de kans op een verkeerde landing of blessure neemt niet bepaald af.
En ondertussen staan wij als scheidsrechters maar kilometers te maken door een soort combinatie van weiland, betonplaat en hindernisbaan.
Je zou bijna denken dat er op onderhoud wordt bespaard. Minder maaien. Minder onderhoud. Minder kosten. En meer werk voor de spelers, de scheidsrechter en uiteindelijk misschien de fysiotherapeut.
Misschien moeten we het daarom voortaan anders aanpakken. Geen scheidsrechter meer met alleen een fluitje, horloge en kaarten. Geef ons ook een grasmaaier. Dan kunnen we vóór de aftrap eerst even het veld doen.
Fluitje om de nek, grasmaaier aan en gaan. Want laten we eerlijk zijn: een voetbalveld hoort toch vooral geschikt te zijn om te voetballen. Niet om te ploegen. En als het gras de volgende keer weer zo hoog staat, neem ik gewoon mijn werkschoenen mee.
Je weet maar nooit of er na afloop nog aardappels geoogst moeten worden.