Ze zeggen wel eens: verandering is vooruitgang. Maar in het amateurvoetbal betekent verandering vooral: extra appjes in de groepsapp, boze mailtjes naar de wedstrijdsecretaris en een scheidsrechter die zich op zaterdagmiddag ineens afvraagt waarom hij op een verlaten sportpark in de regen staat.
Met de invoering van weekendvoetbal vanaf de derde klasse zet de KNVB opnieuw een flinke stap in de modernisering van het amateurvoetbal. Zaterdagclubs en zondagclubs worden gemengd ingedeeld. Op papier klinkt het logisch: minder lege competities, kortere reisafstanden, meer derby’s. In de praktijk voelt het voor veel verenigingen als: we gooien de traditie in de wasmachine en hopen dat hij er netjes weer uitkomt.
Traditie versus realiteit
Voor veel clubs is de speeldag heilig. Zaterdag is zaterdag. Zondag is zondag. Niet vanwege religie alleen, maar vooral vanwege gewoontes. De derde helft is op die dag afgestemd, de bardienst is geregeld, de vaste supporters weten wanneer ze hun klapstoel moeten uitklappen. En nu? Nu kan een zondagclub ineens op zaterdagmiddag aantreden. Dat betekent: vrijwilligers die moeten schuiven met werk, spelers die hun familieverplichtingen moeten herplannen en een kantinecommissie die opnieuw mag puzzelen wie er achter de tap staat.
De bedoeling van de bond is begrijpelijk. Zondagcompetities worden dunner, het aantal teams loopt terug. Het alternatief – steeds kleinere poules met steeds langere reisafstanden – is ook geen feest. Maar er wringt iets als een oplossing vooral vanuit de tekentafel wordt bedacht en niet vanuit de keukentafel van de vereniging. Daar, waar de was wordt gedaan, de kinderen naar voetbal worden gebracht en de bardienst wordt verdeeld, voelt weekendvoetbal ineens als een extra belasting.
De scheidsrechter als flexwerker
En dan is er nog de scheidsrechter. Die man of vrouw met fluitje die in weer en wind probeert de boel enigszins in goede banen te leiden. Voor scheidsrechters betekent weekendvoetbal vooral: nóg flexibeler zijn. Waar je eerst kon zeggen “ik fluit op zondag” of “ik ben een zaterdagfluiter”, vervaagt die grens. De planner verwacht beschikbaarheid op beide dagen. De reistijd wordt soms korter, maar de onvoorspelbaarheid groter.
Het gevolg? De scheidsrechter wordt steeds meer een soort freelance professional in een vrijwilligerswereld. Flexibel, inzetbaar, altijd paraat. Alleen: daar staat geen contract tegenover, geen vaste vergoeding die de extra inspanning compenseert. Wel de bekende discussie langs de lijn. Alsof je met weekendvoetbal ook meteen het weekend van de scheidsrechter hebt opgekocht.
Meer derby’s, meer emotie
Een ander gevolg dat zelden hardop wordt benoemd: meer regionale derby’s betekent ook meer emotie. En meer emotie betekent vaak: meer commentaar op de arbitrage. Wedstrijden tegen de buurman zijn leuk voor het publiek, maar pittiger voor de man in het zwart. Die kent de spelers soms persoonlijk, heeft hun broers gefloten, of hun vader nog in de kantine gesproken. Objectiviteit blijft de norm, maar de sociale druk wordt groter.
Als weekendvoetbal echt bedoeld is om het amateurvoetbal toekomstbestendig te maken, dan moet de begeleiding van scheidsrechters daarin meebewegen. Niet alleen in opleidingen, maar ook in bescherming en waardering. Want zonder scheidsrechter geen wedstrijd – of je die nu op zaterdag, zondag of maandagochtend om negen uur plant.
Vooruitgang vraagt draagvlak
De grootste vraag is misschien niet of weekendvoetbal een goed idee is, maar of het met voldoende draagvlak wordt ingevoerd. Clubs voelen zich soms overvallen. Alsof ze in een trein zijn gestapt waarvan de machinist ineens van spoor wisselt. Natuurlijk moet de sport meebewegen met de tijd. Natuurlijk veranderen verenigingen. Maar wie verandering wil, moet ook luisteren. Naar de clubbestuurder die zijn vrijwilligers al amper rond krijgt. Naar de speler die maar één dag per week kan voetballen. En naar de scheidsrechter die ook gewoon een gezin heeft.
Weekendvoetbal kan een oplossing zijn voor krimpende competities. Het kan nieuwe derby’s opleveren, kortere ritten, misschien zelfs meer publiek. Maar het risico is dat het vooral extra druk legt op mensen die het amateurvoetbal toch al overeind houden.
En dat zou zonde zijn. Want zonder die mensen – de vrijwilligers, de planners, de scheidsrechters – is er straks geen weekendvoetbal meer om over te discussiëren. Dan is het gewoon: geen voetbal.