Er zijn van die vragen die de mensheid al eeuwen bezighouden. Is er leven na de dood. Bestaat er vrije wil. En: wanneer moet een scheidsrechter nou eindelijk zijn fluitje inleveren?
Je zou zeggen: gewoon een leeftijdsgrens instellen en klaar. Bij 65 jaar hangt de man (of vrouw) het zwart-witte shirt aan de wilgen, punt uit, geen discussie, geen bezwaarschrift bij de tuchtcommissie. Lekker overzichtelijk.
Maar zo simpel is het natuurlijk niet, want de scheidsrechter zélf is er heilig van overtuigd dat hij dat allemaal prima kan beoordelen. “Ik kijk elke ochtend in de spiegel,” zegt hij dan trots, alsof die spiegel een soort orakel is dat zal zeggen: “Beste Piet, uw enkels zijn op, uw fluitje is stuk, en uw laatste buitenspelbeslissing dateert van een paar jaar terug.” Nee hoor. De spiegel zegt niks. De spiegel is namelijk net zo loyaal als een scheidsrechter die zijn eigen club bewondert: hij ziet alleen wat hij wil zien. Een beetje grijs haar? Distinctie. Een buikje? Gezag. Trage knieën? Rust en overzicht, beste mensen, rust en overzicht.
En dan is er nog dat andere argument, het stiekeme addertje onder het gras: het staan in de middencirkel zélf. Want laten we eerlijk zijn — er is weinig zo verslavend als mensen die naar jou kijken terwijl jij, en alleen jij, bepaalt of dat een gele kaart was of gewoon een stevige Hollandse tackle. Dat gefluit dat over het veld galmt als een operazangeres die eindelijk de hoge C haalt. Stoppen?
Dus wie helpt hier wie? De spiegel die eerlijk zou moeten zijn maar dat nooit is. De middencirkel die verslavender is dan een casino. Of misschien, heel misschien, de assistent-scheidsrechters, die na jaren trouwe dienst heus wel weten wanneer opa Karel niet meer bij een counter bij kan blijven en toch elke zaterdag “Buitenspel!” roept, ook als de bal nog in de kantine staat.
Er is één oplossing die niemand pijn doet: walking football. Daar hoeft de scheidsrechter niet eens te rennen — hij wándelt gewoon mee, in hetzelfde tempo als de spelers, wat toevallig ook precies het tempo is waarin de meeste knieën van boven de zestig nog willen meewerken. Eindelijk een sport waarin de scheidsrechter niet wordt afgerekend op zijn sprintvermogen maar op zijn levenswijsheid. Iedereen wandelt. Niemand wint een sprintduel. En de enige echte overtreding is ongeduld.
Dus misschien is de ware drijfveer helemaal geen angst voor de spiegel. Misschien is het gewoon angst voor de stilte die komt ná het laatste fluitsignaal. Want zolang je in die cirkel staat, ben je nog nodig. En wie wil daar nou mee stoppen — spiegel of geen spiegel?
Oog-getuige
